“Elck mens heeft een cleen wederglanske van het Goddelijke Licht in zich.”

In ieder mens werkt het ‘voncxken des Godlijcken Lichts’, het enige ware richtsnoer op de menselijke heilsweg. Het vonkje is het onvervreemdbare bewijs van de hoge menselijke komaf. Daarom heeft de mens geen kerk, priester of overheid nodig om tot spirituele zelfverwerkelijking te komen.
Ziehier in een notendop de niet aflatende inspiratie waarop het bewogen leven van de Amsterdammer Coornhert is gestoeld. In een politiek - religieus uiterst roerige periode ontwikkelt hij zich tot een weerbarstig denker van bovennationaal formaat en groeit hij uit tot een robuust pleitbezorger van de tolerantie. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanden is het Cooornhert die de basis legt voor de vrijheid van denken, van godsdienst en van drukpers.

Dwars maar recht
De autodidact Dirck Coornhert vervreemdt zich al als zeventienjarige van zijn welgesteld, ouderlijk milieu door te huwen met de twaalf jaar oudere Neeltje Simons. Hij leert op dertigjarige leeftijd de brontalen van de bijbel, Latijn en Grieks, met als doel haar in de volkstaal correct te kunnen citeren. Hetzelfde doet hij met de werken van klassieke schrijvers, zoals Seneca en de Stoïci. Zijn hoofdwerk is de eerste ethica in de volkstaal  “Zedekunst dat is wellevenskunste”, geschreven tijdens zijn ballingschap in Emden voor alle “leergierige ongeleerden”.
Tijdens zijn uiterst arbeidzaam leven toont Coorhert zich een vaardig toneelschrijver, theoloog, filosoof, jurist, musicus, grafisch kunstenaar en geestig tafelredenaar. Hij is een beducht polemist en debater, bekwaamheden waarin hij zich volgens tijdgenoten “dwars maar recht” profileert. Als politiek adviseur van Willem van Oranje heeft hij grote invloed op de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanden. Volgens zijn belangrijkste biograaf is hij de auteur van het Nederlandse volkslied.

“Wederglanske” van het licht
Uiterlijke vrijheid is maar een eerste stap in Coornherts vrijheidsvisie. Hij ziet haar meer als een basisvoorwaarde voor de weg tot innerlijke vrijheid. Als die voorwaarde vervuld is, kan de mens zijn goddelijke oorsprong pas goed gaan doorleven. Aan het in West – Europa breed verspreide werk Theologia Deutsch ontleent hij het beeld van die menselijke verbondenheid met God: “Elck mens heeft een cleen wederglanske van het Goddelijke Licht in zich.”
Coornhert verwerpt de erfzonde en ontkent de ongeschiktheid van de mens tot enig goed en de geneigdheid tot alle kwaad, zoals in de Heidelbergse catechismus is opgenomen. Hij weet dat de mens de banden van zijn natuurlijke beperkingen kan doorbreken en gelooft rotsvast in diens vervolmaking. God immers wil dat alle mensen het eeuwige heil verkrijgen en hij heeft de mens de vrije wil gegeven, opdat hij verantwoordelijk zou zijn voor zijn daden en niet een willoos instrument in Gods hand, stelt Coornhert.
Het enige gebed dat de mens past, is : “Heer, uw wil geschiede”. Alle andere zijn op de persoon gericht en daardoor “onzedelijk”.

Lees het hele artikel over Dirck Volkertszoon Coornhert.

Publicatie datum: 
18 januari 2011