Je vraagt hoe alles is begonnen.
Ik echter stuur je naar wat niet begint: naar het ogenblik waarop je mij vraagt en ik je antwoord.
Jij echter streeft naar een punt dat buiten het begin ligt, jij zou een antwoord op dit of dat willen hebben...
Maar ik ben geen verzameling antwoorden!
Ik ben één enig levend antwoord, waarin je als vraag moet oplossen.
Vesna Krmpotic (1932, Dubrovnik), Klank van de ziel
Het verstand stelt altijd maar vragen. Het is voortdurend ergens mee bezig alsof het erop volgende antwoord het enig juiste zou zijn, een antwoord dat een wezenlijke verandering, een verlichting brengt.
Er bestaan theorieën over de wereld, over het leven en over het ontstaan ervan. Wat voor betekenis kunnen deze theorieën hebben voor een mens die naar de waarheid zoekt? Wat betekenen die woorden voor hem als de waarheid zich buiten de grenzen van zintuigen en verstand bevindt? Woorden zijn voor een dergelijke mens als wegwijzers in een land waar geen wegen zijn. Zij hebben alleen dan zin als ze naar een enkele richting wijzen, namelijk terug naar de vrager zelf. Zij zijn zinvol als zij de vragen teruggeven aan hem of haar die de vragen stelt.
Elke vraag die de zoeker naar de waarheid stelt, komt dan altijd terug als een en dezelfde vraag, steeds gelijk en actueel: wie ben ik? Ja, wie is degene die vraagt? Wie is het die het niet weet? Als hij niet meer zou bestaan, zou dan ook de onwetendheid ophouden te bestaan? Is er niet een soort sluier tussen de materie en de geest? Is het niet zo dat deze sluier het de geest onmogelijk maakt zich vrij te openbaren?
Verlichting is niet het bijeenbrengen van meer en meer kennis maar het opheffen van onwetendheid, van een ik, dat niet weet. Dit is echter alleen maar mogelijk in het nu, want alles wat bestaat, bestaat alleen in het nu. De tijd, het verleden en de toekomst, is de wereld, het bestaan van het natuur-ik, die zijn toevluchtsoord is. Het nu is voor dat ik onverdraaglijk.
Als men zich voortdurend richt op het leven in het nu, dat onze directe maar ook enige verbinding met het eeuwige vormt, zal het ik minder overheersend worden. Dan kan de ziel spreken.
Uit: Tijdschrift Pentagram - nummer 4, 2011