De 2600 pagina’s tellende “Unpartheyische Kirchen- und Ketzer – Historie” is het meesterwerk van de hoog getalenteerde Duitse predikant en kerkhistoricus Gottfried Arnold (1666 – 1714). Hij publiceert dit omvangrijke werk al op 33 – jarige leeftijd en zorgt daarmee voor een cultuurschok in Europa. Voor het eerst behandelt een toonaangevende geleerde de officiële kerken en het fenomeen ketterij als twee gelijkwaardige eenheden. Voor het eerst maakt een kerkhistoricus duidelijk dat achter de vermeende ketters de “ware christenen” schuilgaan, ja: “de dierbaarste getuigen van Christus.”
Sinds Gottfried Arnold is de visie op de eeuwenlang vaak bloedig heersende kerk(en) van het establishment kritisch bijgesteld. Door Arnolds rehabilitatie van de ketter is er voor de zoekende lezer een perspectief op de gnosis gekomen want - aldus de gezaghebbende geleerde - “gnostici zijn ware christenen.”
Tweeëndertig is Gottfried Arnold als hij zich resoluut los scheurt uit het “muffe” academische milieu waarin hij jarenlang hoog aanzien heeft genoten. Hij geeft zijn professoraat aan de universiteit van het Duitse Giessen op uit “walging voor het hoogdravende en eerzuchtige verstandsgedoe”.
Theologie des harten
Zijn indrukwekkend breed gedocumenteerde “Unpartheyische Kirchen- en Ketzer – Historie “, die een jaar later verschijnt, maakt duidelijk hoe verstikkend de universitaire omgeving voor Arnold in Giessen is geweest. Hij heeft geen zin meer in “woordgevechten”, schrijft hij in de inleiding. Met zijn “theologie des harten” rekent Arnold dan ook definitief af met alle academische benepenheid, want “harttheologie twist niet over woorden, werpt geen dwaze en onnutte vragen op, zij maakt niemand tot ketter, zij krenkt geen geweten, zij levert noch inkomsten, noch wellust, noch eer, noch titels op en wordt daarom door de menselijke geleerden verstoten en vervolgd.”
“Het is het hart dat God bespeurt en niet de rede,” stelt Arnold vast. Dit is zijn werkmotto bij deze monumentale geschiedschrijving van het christendom die tot stand komt bij het tegenlicht van een kerk die “permanent in verval” is. Hij wil de nuchtere feiten laten spreken maar vooral de kracht van het Levende Woord dat als een constante onderstroom onder de feiten voelbaar is en volgens hem door de ketters het zuiverst wordt verklankt.
Als mystiek – piëtistisch gericht christenmens ontleent Arnold zijn levensinspiratie aan zijn Sophia – ervaringen van “eeuwige wijsheid”, die niet anders zijn dan “een zachte liefelijke ademtocht en fluistering die onverwacht en ongezocht door de ziel gaan wanneer die stil is”. Hij gaat hierin terug op de mysterieuze gnosticus Simon Magus en diens gedichten voor zijn eindeloos inspirerende Helena. Volgens Arnold is Helena de aanduiding van een goddelijk mysterie. Zij is – met een alchemistische term - de materia prima, de oergrond van alle dingen en de eerste werking van het goddelijke gemoed. Zij is de Sophia, de wijsheid van God, die “de mensenziel kust” en haar ook eisen stelt, want: “Tenzij de mens daarna bewijst dat hij zich van alle creaturen en van z’n eigenliefde heeft losgemaakt, kan hij geen nieuwe en hogere trappen van haar heerlijkheid ervaren.”
Op het spirituele pad draait het om een geestelijk huwelijk met deze Sophia. En dit “kleed Gods” laat zich volgens Arnold beter ervaren dan benoemen. “Het past daarom daarover te zwijgen,” want het kan alleen “met woordeloze woorden worden weergegeven.”
Separatist
Arnold schrijft zijn boek met de blik van de buitenstaander, als een separatist, die zich onder inspiratie van de Sophia niets van de traditionele oordeelsvorming aantrekt. Dat is de betekenis van het titelwoord “onpartijdige”: hij benadert de geschiedenis zonder vooroordelen, zonder de stempels en clichés die al eeuwenlang gangbaar zijn. Juist die onpartijdigheid stelt hem paradoxaal genoeg in staat om als een gedreven advocaat partij te kiezen voor de vermeende ketters die hij definitief uit de schandhoek haalt.
Arnold neemt waarderende hoofdstukken op over de manifesten van de Rozenkruisers en over gnostici als Jacob Böhme, Basilides en de “beroemde Valentinus” . Van diens leerling Ptolemeus beschrijft hij zijn bekende systeem over het ontstaan van de wereld: een geestelijke wereld (pleroma) van denkbeelden die voortgekomen zijn uit de oergrond van Diepte en Stilte. Hieruit valt Sophia waardoor de wereld ontstaat. Voor de mens is terugkeer naar het pleroma mogelijk, als hij maar beseft dat “alleen het geestelijke van nature zalig en zaligmakend is. De ziel echter heeft zijn vrije wil en een bekwaamheid tot geloof en tot onsterfelijkheid, maar ook tot ongeloof en tot de dood, naar eigen keuze. Maar al het stoffelijke gaat van nature verloren.”
Modelchristenen
De bewogen ketterpleiter Arnold komt helemaal los als hij het lot van de Byzantijnse bogomielen schetst. Hun leider, de arts Basilios, wordt op last van de keizer, na een showproces in 1111 publiekelijk verbrand. Arnold voert de bogomielen op als “modelchristenen”, die het moeten afleggen tegen de machtige orthodoxe clerus, de “huichelaars uit de Oriënt”, omdat de vermeende ketters zich niet wensen te onderwerpen aan de “gangbare dwalingen en kerkelijke regelgeving”. Het enige motief om de bogomielen te vervolgen ligt volgens Arnold in het eigenbelang en de machtswellust van de orthodoxe geestelijkheid, die zich door de bogomielse lekenpriesters in hun privileges bedreigd voelt. “Het was de clerus er alleen maar om te doen dat hun dagelijks werk niet in gevaar zou komen omdat de bogomielen het bijgeloof en de onjuistheden van hun kerkdiensten aan de orde stelden en hun blinde gelovigen de ogen wilden openen.”
De “unpartheyische” Gottfried Arnold is eeuwenlang de maatstaf gebleven voor de geschiedschrijving over de voortgang van het ware Rijk Gods. Veel bekende denkers en dichters zijn hem schatplichtig, onder hen bevindt zich Goethe die mede door lezing van Arnold de Gnosis leert kennen. Hij herkent zich in Arnolds beknopte definitie van Gnosis:
“de ware voltooiing van de mens door de wijsheid in goddelijke aangelegenheden.”