Dirck Volckertszoon Coornhert

LICHTBAKEN VAN DE MENSELIJKE VERVOLMAAKBAARHEID

Hij was geboren om tegen te spreken. Daarmee maakte hij niet altijd vrienden. Zijn rechtlijnige en onpartijdige standpunten noopten hem dan ook regelmatig de wijk te nemen naar vrijplaatsen aan de oostgrens: Kleef, Xanten, Keulen en vooral Emden. Zijn beste vriend deed zich pas kennen op het moment dat hij al ruim drie eeuwen uit de tijd was.
In de jaren dertig van de vorige eeuw dook in dit land plotseling een Russische professor op die in perfect zeventiende - eeuws Nederlands gloedvol alle werken van Dirck Volckertszoon Coornhert (1522 – 1590) in perspectief plaatste. Sindsdien is er geleidelijk steeds meer licht gaan vallen op de betekenis van Coornhert. In een tijd dat  het leerstuk van de predestinatie verdoemenis preekte, was Coornhert een lichtbaken voor de nieuwe mens die zichzelf door “wellevenskunst” tot vervolmaking kan brengen.

In ieder mens werkt het ‘voncxken des Godlijcken Lichts’, het enige ware richtsnoer op de menselijke heilsweg. Het vonkje is het onvervreemdbare bewijs van de hoge menselijke komaf. Daarom heeft de mens geen kerk, priester of overheid nodig om tot spirituele zelfverwerkelijking te komen.
Ziehier in een notendop de niet aflatende inspiratie waarop het bewogen leven van de  Amsterdammer Coornhert is gestoeld. In een politiek - religieus uiterst roerige periode ontwikkelt hij zich tot een weerbarstig denker van bovennationaal formaat en groeit hij uit tot een robuust pleitbezorger van de tolerantie. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanden is het Cooornhert die de basis legt voor de vrijheid van denken, van godsdienst en van drukpers.

Dwars maar recht
De autodidact Dirck Coornhert vervreemdt zich al als zeventienjarige van zijn welgesteld, ouderlijk milieu door te huwen met de twaalf jaar oudere Neeltje Simons. Hij leert op dertigjarige leeftijd de brontalen van de bijbel, Latijn en Grieks, met als doel haar in de volkstaal correct te kunnen citeren. Hetzelfde doet hij met de werken van klassieke schrijvers, zoals Seneca en de Stoïci. Zijn hoofdwerk is de eerste ethica in de volkstaal  “Zedekunst dat is wellevenskunste”, geschreven tijdens zijn ballingschap in Emden voor alle “leergierige ongeleerden”.
Tijdens zijn uiterst arbeidzaam leven toont Coorhert zich een vaardig toneelschrijver, theoloog, filosoof, jurist, musicus, grafisch kunstenaar en geestig tafelredenaar. Hij is een beducht polemist en debater, bekwaamheden waarin hij zich volgens tijdgenoten “dwars maar recht” profileert. Als politiek adviseur van Willem van Oranje heeft hij grote invloed op de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanden. Volgens zijn belangrijkste biograaf is hij de auteur van het Nederlandse volkslied.

“Wederglanske” van het licht
Uiterlijke vrijheid is maar een eerste stap in Coornherts vrijheidsvisie. Hij ziet haar meer als een basisvoorwaarde voor de weg tot innerlijke vrijheid. Als die voorwaarde vervuld is, kan de mens zijn goddelijke oorsprong pas goed gaan doorleven. Aan het in West – Europa breed verspreide werk Theologia Deutsch ontleent hij het beeld van die menselijke verbondenheid met God: “Elck mens heeft een cleen wederglanske van het Goddelijke Licht in zich.”
Coornhert verwerpt de erfzonde en ontkent de ongeschiktheid van de mens tot enig goed en de geneigdheid tot alle kwaad, zoals in de Heidelbergse catechismus is opgenomen. Hij weet dat de mens de banden van zijn natuurlijke beperkingen kan doorbreken en gelooft rotsvast in diens vervolmaking. God immers wil dat alle mensen het eeuwige heil verkrijgen en hij heeft de mens de vrije wil gegeven, opdat hij verantwoordelijk zou zijn voor zijn daden en niet een willoos instrument in Gods hand, stelt Coornhert.
Het enige gebed dat de mens past, is : “Heer, uw wil geschiede”. Alle andere zijn op de persoon gericht en daardoor “onzedelijk”.

Gulden regel
Bij de beschrijving van het proces van wedergeboorte gaat Coornhert uit van de voor een gnosticus herkenbare idee van de twee natuurordes. De mens is van nature geneigd God en zijn mede mensen spontaan te haten. Anderzijds kan hij door wedergeboorte uit de kracht van de bovennatuur (van Christus) de opgave God en de naasten lief te hebben spontaan vervullen.
Om zich te kunnen vervolmaken dient de mens een “deugdzaam” leven te leiden, kortom: Zedenkunst dat is Wellevenskunst. Ook hierin speelt de visie van de twee levensvelden een rol, namelijk in het verschil tussen de lagere en de hogere (“overste”) rede, ofwel tussen verstand en rede. Verstandelijkheid richt zich op één object. De rede concentreert zich op alle voorkomende objecten, die zij uit elkaar houdt. De rede bestuurt de gedachten en is een “leyd - sterre des levens”. Zij doet de mens onophoudelijk speuren naar wat goed is voor zijn heil. De hogere rede is de ingeschapen liefdewet, ook wel de wet der natuere genoemd: “Heb God lief boven alles en uw naasten gelijk u zelf”. Het is de Gulden Regel van het gedrag, aldus Coornhert.

Weet of rust
Zijn levensmotto is “Weet of rust”:  “Iedereen kan, ja moet weten wat hij weet, want niemand kan iets weten buiten zijn weten om. Hij die weet wat hij allemaal weet, kan ook weten wat hij allemaal niet weet. Zo weet zo iemand niet alleen de dingen die hij weet, die weinig en gering zijn. Hij weet echter ook wat hij nog niet weet: die dingen die oneindig veel en groot zijn. Zulk weten zal niet pronken met zijn wetenschap of wijsheid maar met Socrates ootmoedig zeggen dat hij niets of ten minste zeer weinig weet behalve zijn grote onwetendheid….en die wijze kennis van zijn onwetendheid maakt dat hij berust bij de onbekende dingen, omdat hij niet weet of die goed of kwaad zijn.”
Het hoogste weten is niet te weten, zegt de Chinese wijsgeer Lao Tse. Coornhert formuleert dat zo: “Alles weten is een eigenschap van God, maar te rusten in zaken die men niet begrijpt, is een eigenschap van wijze mensen. Daarom: Weet of Rust.”

Waarheid
Coornhert gelooft enkel in de “ware kerk”, dat is: de onzichtbare gemeenschap van ware gelovigen. Of hij zelf tot die ware kerk behoort, valt niet te zeggen, want - zo meent hij - alleen God weet wie ertoe behoren.
Coornhert is zijn leven lang tegen de hoofdstroom van zijn tijd in blijven varen. Voor de meest uiteenlopende gremia blijft hij hartstochtelijk betogen dat de mens een vrij wezen is dat zijn eigen heil kan bewerkstelligen. De rede ziet hij als een universeel instrument op het spirituele pad, waarmee ieder gezond mens de waarheid kan vinden. Dogma’s heeft hij nooit aanvaard. Ieder spiritueel waarheidscriterium voert hij terug op het menselijke individu zelf. Waarheid is voor hem pas  legitiem als zij door “ondervinding”of “eyghen bevindinghe” is verkregen.
Een gnosticus zou interessante gesprekken met hem hebben kunnen voeren.