Aan de bron van het Moderne Rozenkruis
“Een ware opvoeder dient evenwichtig te zijn en uit te blinken in vier deugden: waardigheid, oprechtheid, vlijt en grootmoedigheid. Aansporen tot werken, regels , voorschriften, dictaten geven en inprenten, dat kan iedereen. Maar de hoofdzaken aanwijzen, de inspanningen ondersteunen, vlijt opwekken en het juiste gebruik van hulpmiddelen aanleren, en uiteindelijk alles op Christus betrekken, daaraan is gebrek. Dat is het christelijk werk dat met geen schatten van de aarde betaald kan worden,” aldus een van de vele pedagogische aanwijzingen die Johann Valentin Andreae geeft om de jeugd van zijn tijd een beter toekomstperspectief te geven. Dat Andreae (1586 – 1654) zijn faam te danken heeft aan zijn auteurschap van de “Roep” (Fama) en de “Belijdenis der Rozenkruisers” alsmede van de “Alchemische Bruiloft” is algemeen bekend. Maar dat deze uitzonderlijk begaafde Duitse theoloog, dichter, toneelschrijver en dominee ook een baanbrekend pedagoog en maatschappijhervormer is, is lange tijd overschaduwd door het wetenschappelijk debat over zijn precieze rol in de Rozenkruisersmanifesten. Andreae ijvert zijn leven lang voor de “onvervalste overdracht van het woord Gods” bij de jeugd en voor een “broederschap - in – Christus” die het geluk van de mensheid zal bevorderen. Hij leeft tientallen jaren met het visioen dat hij een Broederschap van wijze vrienden uit heel Duitsland bijeen kan krijgen, die gedachten en ideeën uitwisselen om het welzijn van de hele mensheid op een hoger, spiritueel plan te brengen. Het is de drijfveer voor zijn handelen en publicaties. Tot zijn diepe teleurstelling moet hij aan het eind van zijn leven vaststellen dat dit idee echter nooit van de grond is gekomen.
Allesomvattende liefde
Andreae is een gevreesd maatschappijcriticus die met zijn scherpe pen onder meer bepleit dat kinderen vanaf hun zevende onderwijs dienen te krijgen. Hij ontwerpt een beeldmethode voor het wiskundeonderwijs en is daarmee Comenius ruim een halve eeuw voor. Die verhult niet dat hij bij de uitwerking van zijn pedagogische ideeën van harte steunt op Andreae. De onderwijsdoelen van Johann Valentin Andreae zijn nooit primair op maatschappelijke vorming gericht. Die staat altijd in perspectief van wat bij hem op de eerste plaats komt: het innerlijke koninkrijk, God – in – de mens, of in woorden van de Fama: het Gouden Tijdperk. De mensenrechtenactivist avant la date, Andreae, pleit voor gelijke rechten van het meisje en de vrouw: “Ik weet ook niet waarom dit geslacht dat van nature niet minder leergierig is, in onze tijd van onderwijs verstoken blijft.” In zijn ideale, utopistische christenstaat, in het gelijknamige boek aangeduid als Christianopolis (1619), kunnen alle ambten ook door vrouwen worden vervuld. In zo’n christelijke samenleving zal de mens er, volgens Andreae, in slagen om uiteindelijk al het aardse achter zich te laten. Pas dan kan hij bij zichzelf te rade gaan om de werkelijkheid van het Goede, het Ware en het Schone te doorschouwen. Wie dat buiten zichzelf zoekt, komt van een koude kermis thuis, want het zijn – in – de - wereld staat nu eenmaal zuivere waarneming in de weg. “Wie de natuur achter zich laat en zich aan de daarvan vrij gekomen geest overgeeft, zal vast staan in de ene, ware en goede God. Onuitsprekelijk verheugd zal hij zien en ervaren hoe de hele wereld in haar middelpunt is gegrondvest en dat niet onder een bewolkte of gekleurde hemel maar in kristallijnen helderheid. En zo zal hij, in opperste verrukking van zinnen, de eerste lijnen der kunst, het eerste beginpunt der dingen ontdekken.” En dat beginpunt is bij Andreae de liefde, een allesomvattende liefde voor de schepping, voor de mens als wonder van de schepping en voor de innerlijke Christus.
Haarkloverijen
Johann Valentin Andreae is een fenomeen op de universiteit van de Zuid – Duitse studentenstad Tübingen. Al op twintigjarige leeftijd studeert hij er als “extremissimo doctus” (buitengewoon geleerd) af. Maar dàn heeft hij het ook helemaal gehad met het universitaire milieu. Hij ziet er alleen maar kleingeestige mensen die elkaar met pietepeuterigheden proberen af te troeven. De jonge Andreae blijkt ruimer van hart te zijn: “Ik verkeer liever met die zogenaamd ketterse Waldenzen die leven en leer met elkaar in overeenstemming hebben gebracht, dan met de zogenaamde rechtgelovigen hier. Die laatste menen ook nog eens het juiste geloof te verkondigen maar ondertussen beseffen zij niet dat ze de eenvoudige leefregel van de naastenliefde volledig veronachtzamen.” Hij zoekt zijn vrienden buiten het universitaire kringetje en leert in 1607 Tobias Hess kennen. Hess is een uiterst erudiet persoon: Bijbelkenner pur sang, alchemist en arts-in-de-lijn-van- Paracelsus. Een andere vriend wordt Wilhelm von Wense, een edelman uit Lüneburg, die Andreae steeds loyaal ook financieel ondersteunt en hem inspireert om te blijven werken aan zijn voorgenomen wereldbroederschap. Von Wense brengt Andreae in contact met Christoph Besold, een uitnemend schrijver en jurist. Met Andreae trekt Besold vaak van leer tegen de zedelijke teloorgang, het geleidelijke terreinverlies van de zuivere innerlijke religie en tegen de leugen in wetenschap en regering. Deze groep van vier samen wordt met nog enkele andere vrienden wel de “Tübinger Kring” genoemd.
Manifesten
De Tübinger vriendenkring wil met een open geest de nieuwe inzichten in de wetenschap ontwikkelen. Maar het gevaar van een te materialistische wetenschapsontwikkeling wordt ook onderkend. De Tübinger geestverwanten denken vrij en ongebreideld, maar nooit zonder de Christus. Ze laten zich onder meer inspireren door de in die tijd razend populaire “Vier Boeken van het ware christendom” (80 drukken!) van de predikant Johannes Arndt met wie Andreae lange tijd correspondeert. De titels: Het Boek van het Geweten; Het Boek van het Leven: Christus; Het Boek van de Innerlijke Mens en Het Boek van de Natuur. Zeer aansprekend voor de vriendenkring is daarnaast de leer van Paracelsus, waarvoor in het vierde boek van Arndt al ruim baan wordt gemaakt. In deze sfeer ontstaan de Rozenkruisersmanifesten. De Fama Fraternitatis en de Confessio Fraternitatis zou Andreae in 1608 en 1609 hebben geschreven. In zijn autobiografie Vita ab Ipso Conscripta schrijft hij dat hij de Alchemische Bruiloft zelfs al in 1605 – dus op onwaarschijnlijk jeugdige leeftijd - heeft vervaardigd . De publicatie van de manifesten baarde enorm veel opzien. De tijdgenoten lijken aangevoeld te hebben dat het om een diep ingrijpende impuls gaat die de hele mensheid omvat en diep ingrijpt in de Europese cultuur. Lange tijd is openlijk betwijfeld of Andreae wel de auteur van de manifesten is. Maar de moderne inzichten ontkrachten dat. Tevens wordt daarin gesuggereerd dat voor de mythische figuur Christian Rosencreuz de arts Paracelsus – uitdrukkelijk genoemd in de Fama – wel eens model kan hebben gestaan.
Calw
Zeer opmerkelijk is de verbondenheid van Andreae met het pittoreske Zuid – Duitse stadje Calw (23.000 inwoners, Würtemberg), dat een ruim duizendjarige spirituele geschiedenis kent. Al in de elfde eeuw trekt het de aandacht doordat het in Calw gelegen klooster Hirsau het middelpunt is van een invloedrijke, baanbrekende hervorming in het kloosterwezen, gericht op praktische vervolmaking van het monnikenideaal. Van 1620 tot 1638, tijdens de dertigjarige oorlog, is Andreae in dit zelfde Calw hoofdpredikant en….. hij zou er zijn sporen achterlaten. Hij roept een uitstekend gedoteerde liefdadigheidsstichting in het leven die tot 1979 actief blijft. Dankzij dit initiatief heeft Calw zich relatief steeds snel kunnen herstellen van het vele oorlogsgeweld waaraan het ten prooi is gevallen. Er staat in Calw een Andreaehuis dat eigendom is van de evangelische kerk. In de Nicolaaskapel op de brug over het riviertje de Nagold is het wapen van Andreae te zien, evenals op vele andere plaatsen in het stadje. In de kerk van het nabijgelegen Bad Tenach staat een bijzonder barokaltaar. Op een van de panelen is de Universele Leer met kabbalistische tekens en Rozenkruiserssymbolen uitgebeeld. Andreae was nauw betrokken bij de totstandkoming van dit paneel. Zelfs demografisch zijn er invloeden. Twee dochters huwden notabelen uit de stad en deze verbintenissen zouden hun vruchten gaan afwerpen. Zeventig jaar geleden bleek bij een onderzoek dat liefst tien procent van de leerlingen in het middelbaar onderwijs in de lijn van de afstamming van Andreae te plaatsen waren. En dan is er nog die bijzondere Wimberg! Het verhaal gaat dat Andreae met enkele getrouwen deze berg beklom, toen Calw tijdens de dertigjarige oorlog voor grote beproevingen stond. Hij bad daar tot God om de stad te behoeden voor verder onheil. Op diezelfde Wimberg staat nu een conferentiecentrum van de Moderne Rozenkruisers van het Lectorium Rosicrucianum. Lichtend Pad Johann Valentin Andreae moet zich tijdens zijn pioniersleven door onbegrepenheid vaak eenzaam hebben gevoeld. Zijn hart en hoofd reisden hem vaak ver vooruit. Een kleine vier eeuwen na zijn dood, blijkt dat de Toekomst achteraf de beste vriend van Andreae is geworden. Het Lichtend Pad dat Andreae vaak onder veel hoon gebaand heeft, strekt de mensheid immers nog dagelijks tot groot heil.
Mit Freuden will ich singen Mit Freuden will ich singen in dieser Morgenstund,
mein Herz soll auf sich schwingen in Gottes Liebesgrund.
Mit Freuden will ich danken für jede Gottesgab’,
will stillen die Gedanken, in Gott ich alles hab’.
Mit Freuden will ich werken an Gottes Bau und Werk,
die schwachen Arme stärken, nicht scheuen steilen Berg.
Mit Freuden will ich sterben, auf dass ich hab’ gewinn,
die Seligkeit zu erben; zum Himmel steht mein Sinn!
(Vrij naar Johann Valentin Andreae, Evangelisches Kirchgesangbuch, 579)
Literatuur:
Van de “Fama Fraternitatis” bestaat een bijzondere tekstuitgave van Pl. van der Kooij, een bewerking aan de hand van teruggevonden manuscripten. Dit werk is, evenals De Belijdenis van de Rozenkruisersbroederschap en de Alchemische Bruiloft, verkrijgbaar bij de Rozekruispers (doorclickmogelijkheid!)
Verder geraadpleegd:
P. Huijs, Als een bovenaardse rivier, Haarlem 2001; F. Smit, Het Oog van de Wereld, Breda 1992; De Roep van het Rozenkruis, vier eeuwen levende traditie, Den Haag 1998 en C. Gilly en M. Niewöhner, Rosenkreuz als europäisches Phänomen im 17. Jahrhundert, Amsterdam 2001.