Benedictus Spinoza: Niets is zonder God

“Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch denkbaar”, leert stelling 55 uit het eerste deel van de Ethica van Benedictus Spinoza . Daarop aansluitend stelt Spinoza in stelling 27 van het vijfde deel: “Uit de derde soort van kennis ontstaat de grootst mogelijke gemoedsrust. Bewijs: de opperste deugd is het kennen van God. Hoe meer de geest met dit soort kennis dingen kent, hoe groter deze deugd. Wanneer iemand dus de dingen met deze soort kennis kent, bereikt hij de hoogst mogelijke volmaaktheid en de grootst mogelijke gemoedsrust”

Volgens Spinzoa zijn er dus drie soorten van kennis. De eerste is de ongeordende informatie die de mens dagelijks binnenkrijgt. Deze soort van kennis is de bron van “valse kennis”, dat is kennis die absoluut niet tot God teruggebracht kan worden. De tweede soort van kennis is de Rede, het kennen van “de oorzaken van de dingen”, van onze eigen emoties en driften, kortom: zelfkennis. De zelfkennis voert tot de derde trap van kennis: de Kennis van God, de  hoogste vorm van kennis, die door Spinoza als een “intuïtief weten” wordt bestempeld. De mens moet deze drie kennisstadia kunnen doorschouwen om tot opperste gemoedsrust te kunnen geraken. Zijn kennisweg wordt wel eens de ”Bergrede van Spinoza’s evangelie”  genoemd. De centrale zaligspreking daarin laat zich dan als volgt formuleren: “Zalig zijn de begrijpenden, want zij zullen vrede vinden.” 

De ware kennisweg.

De spinozistische volgorde van de ware kennisweg is te herkennen in de analyse die Jan van Rijckenborg geeft in zijn uitleg van het Corpus Hermeticum van Hermes Tresmegistos. In de paragraaf “De praktische opvoeding van het denken” (De Egyptische Oergnosis deel I) schrijft hij: “Wanneer gedachten in ons worden gewekt, die uit God geboren zijn, dan kunnen wij meteen luisteren naar de stem van de ziel, mystiek gesproken naar de stem van God. Lees meer...