ARCHITECT VAN EEN NIEUW MENSBEELD
Cryfftz (modern Duits: Krebs) heet hij van origine, Klaus Krebs. Maar met zijn familie heeft hij niet zo veel op. Al op twaalfjarige leeftijd verbreekt hij iedere band. Omdat hij trots is op zijn afkomst uit het overvloedig met wijngaarden omgeven Moezeldorpje Kues, vernoemt Klaus zich naar zijn geboortedorp: Von Kues (Latijn: Nicolaüs Cusanus). Een mecenas herkent de talenten van de jongeling onmiddellijk en laat hem studeren bij de Broeders des Gemenen Levens in Deventer, en later in Heidelberg en Padua. Het is de aanzet tot een uniek leven als humanist, natuurwetenschapper, jurist, wiskundige, linguïst, mysticus, diplomaat en kardinaal.
De dominicaan Cusanus (1401 – 1464) is enerzijds een ogenschijnlijk conventionele, middeleeuwse kerkvorst en een intens vrome mysticus, anderzijds is hij een hermeticus, een voorloper van Copernicus en doet hij baanbrekend werk in de natuurwetenschap en filosofie. Zo preludeert hij op de heliocentrische leer van Copernicus door vast te stellen dat de aarde niet het vaste middelpunt van het Wereld-Al is, zoals in de middeleeuwen steeds was aangenomen, maar dat zij zelf beweegt. Zo produceert hij, als weerslag van zijn vele reizen, als eerste een moderne landkaart van Midden-Europa, waarmee hij niet alleen zijn eigen levensruimte markeert maar ook het cultuurgebied van waaruit de nieuwe tijd zich zou ontwikkelen. Zo is hij tevens de uitvinder van holle of concave lenzen, waarmee bijziendheid gecorrigeerd wordt.
De Heel Andere
Maar vòòr alles is Cusanus een groot denker die voor een belangrijke nieuwe impuls zorgt op het moment dat het hoogtepunt van de middeleeuwse mystiek voorbij is. Hij is een van de eersten die de zintuigwaarneming van de mens serieus gaat nemen (het latere zogeheten empirisme). Hij is ook de eerste die morrelt aan het middeleeuwse godsbeeld, waarin God zó groot is dat hij buiten de schepping staat. “Als God oneindig is,” zo redeneert Cusanus, “dan kan hij onmogelijk buiten de schepping, de natuur en de kosmos staan. Hij heeft geen grenzen en is dus overal in.” Zeer uitdrukkelijk stelt hij daarbij dat God niet alle dingen is, maar dat hij is in alle dingen. God valt dus bij Cusanus niet samen met de dingen (zoals in het pantheïsme); God blijft tegelijk de Heel Andere. De bekende bioloog en filosoof Rupert Sheldrake, de theoreticus achter de zogenaamde morfische velden, heeft dit godsbeeld in zijn theorievorming onder de naam panentheïsme overgenomen.
Geheel in de hermetische traditie stelt Cusanus dat God de “Onbenoembare” is en tegelijk met alle namen kan worden omvat. Voor God is geen omschrijving mogelijk maar hij wordt wel “in elke poging daartoe aangeraakt.”
Geldwisselaar
De verhouding tussen God en de mens vergelijkt Cusanus met die tussen de geldproducent (God) en de geldwisselaar (mens), een beroep dat gezien het steeds toenemende economische verkeer in zijn dagen steeds belangrijker wordt. Hij benadrukt de terughoudendheid van de geldmaker en de onmisbaarheid van de mens die de waarde van de munten moet vaststellen. Daardoor heeft de mens een 'unieke' positie. Als de mens de waarde van de dingen niet bepaalt, blijft het bestaan dat God heeft geschapen zonder waarde. Zo’n bestaan kun je vergelijken met munten van volledig vreemde en onbekende valuta, waarmee je niets kunt. De geldwisselaar dient de munten van vele kleine territoria te herkennen. Hij moet de waarde van de munten bepalen naar maat, getal en gewicht. En… geld waarvan men de waarde niet kan vaststellen, ontbeert iedere betekenis!
Heilige onwetendheid
In Cusanus’ mens- en wereldbeeld is een goed mens iemand die “nederig, volhardend en godzoekend” is. De menselijke ziel draagt het levende beeld Gods en de mens zelf is volgens hem een “wereld in het klein”, een microkosmos. Het menselijk kenvermogen kan pas in de vereniging met God zijn voltooiing bereiken.
In zijn geschrift De quaerendo Deum (Over het zoeken naar God) wordt dit voor de godzoekende nader uitgewerkt in een heilsweg die te vergelijken valt met de bekende Jacobsladder. De onderste sport op die ladder is de zintuigenwereld, de natuur en de kosmos. Deze bevat vaak losse onsamenhangende indrukken. Dan volgt de tree van het verstand dat de zinsindrukken ordent en verbindt, en waarin de mens vooral nog in tegenstellingen denkt. Door meditatie en contemplatie kan hij vervolgens komen tot de fase van het intellect (de rede) dat de tegenstellingen kan overstijgen en in een synthese kan laten samenvallen (coincidentia oppositorum). Deze leer van de eenheid der tegendelen geldt als een doorbraak en kent fervente navolgers, zoals Carl Gustav Jung.
De zoeker komt vervolgens tot het deemoedige besef van 'heilige' of 'geleerde' onwetendheid (docta ignorantia), een bewust niet-weten, een diep inzicht in de grenzen van het menselijke bevattingsvermogen, daarom ook wel de 'welbewuste onkunde' genoemd.
Hier doemt voor de zoeker een muur op die volgens Cusanus enkel met Gods genade valt te slechten. Doorstaat de zoeker ook deze fase, dan ontsluit zich het paradijs, een vorm van bewustzijn die een voorafbeelding is van eeuwig leven.
Asclepius
Cusanus bedient zich regelmatig van hermetische terminologie. Dat is geen toeval. Hij bezit het oudste manuscript van de Asclepius (uit de 9e eeuw) dat in die dagen in Europa voorhanden is en citeert daar vaak met merkbare instemming uit. Er wordt beweerd dat hij zo gretig de Asclepius aanhaalt om daarmee te maskeren dat hij inhoudelijk sterk steunt op de werken van Eckhart die vanwege een pauselijke banvloek verboden waren (te citeren). De kardinaal uit Kues moet in Eckhart veel van zijn hermetische gedachtegoed herkend hebben.
Hij ontleent aan Asclepius een voor die tijd nieuwe, optimistische mensvisie: “De mens is een tweede God” – “Zoals God de schepper is van de geestelijke wezenheden en de vormen in de natuur, zo is de mens schepper van redelijke waarheden en kunstige vormen”. Zijn mensbeeld brengt hij ook in praktijk als diplomaat en als plaatsvervanger van de paus. Hij baart opzien met een uitspraak tijdens een conferentie met bisschoppen en wereldlijke leiders: “Aangezien mensen van nature vrij zijn, dient elk bestuur, of het nu gebaseerd is op geschreven wetten, of belichaamd in een heerser, uitsluitend voort te komen uit overeenstemming en instemming van diegenen die hieraan onderworpen worden.”
De hoogwaardigheidsbekleders weten niet wat ze horen! Sprak hier de wijngaardenier uit Kues? Tot dan toe is de middeleeuwse mens niet veel meer geweest dan een zwijgende, grauwe pion in een strakke standenmaatschappij, een wezen dat zich maar te voegen heeft naar de luimen van zijn monarch. Kardinaal Cusanus moet al zijn gezag aanwenden om zijn statement te laten landen. Hij wordt niet weggehoond of uit zijn ambt ontzet. De tijd blijkt rijp voor vernieuwing.
De horige onderdaan zou een vrij mens worden, met rechten en plichten. De kiem voor de nieuwe tijd van de renaissance is gelegd.