Boehme wordt niet moe om dit te beschrijven. De wortel der zelfhandhavingsdrift, de eigenwilligheid, moet ontbonden worden voordat de wortel van de Geest, de goddelijke wil, door kan breken. Zolang de wortel van het aardse, “luciferische” willen groeit in plaats van de wortel van het goddelijke, kan deze laatste niet werkzaam zijn. Dus moet de wortel van het aardse willen als het ware uitgetrokken worden. Als de mens dat doet, dan breekt de wortel van het goddelijke willen door, de <innerlijke Christus> zoals Boehme hem noemt.
De confronterende visies van Boehme ontmoetten veel weerstand. De plaatselijke dominee in Görlitz excommuniceerde hem uit de Lutheraanse kerk en de hoon van veel stadgenoten werd zijn deel. Slechts enkele vrienden bleven hem tot het eind van zijn leven trouw. Op zijn besmeurde graf stond een bekende Rozenkruisersspreuk: uit God geboren, in Jezus gestorven, door de Heilige Geest wedergeboren.
Die geeft precies weer waar het Boehme in zijn leven om ging:
- de wil in haar “zelfzucht” dagelijks laten sterven en “het verlangen in God in te voeren” ;
- hoe uit dit sterven een nieuw gemoed en een nieuwe wil in God zullen ontkiemen.
Ondanks de lokale tegenwerking is Boehmes werk breed verspreid, omdat het in de Nederlanden wèl op een warm onthaal kon rekenen. De Amsterdamse koopman Abraham Willemszoon van Beyerland gaf een groot deel van zijn geschriften in Nederlandse vertaling uit en verspreidde ze ook naar Engeland. Van Beyerland begreep als geen ander dat Boehmes spiritualiteit een drastische en permanente verandering van levenshouding vroeg. Niet voor niets schreef hij in de inleiding op een van Boehmes boeken: het sal de ernstighe ziele (in het lezen van deze schriften) gaan als eenen die een grof roestig yzer wil blanck maecken/ in ’t eerste en isser weynigh hoops/ maer in de volharding leyt de overwinningh.
![]() |
Meer lezen over Boehme? Lees dan de uitgave van de Rozekruispers: Symposionreeks, Haarlem |