De uiterlijke mens is met al zijn scheppingen vergankelijk,
de geestelijke mens is onvergankelijk.
Alle vooroordelen met betrekking tot de Gnosis ontspruiten uit het ene en fundamentele misverstand, dat de natuurlijke, aardse mens de mens zou zijn, over wie de Gnosis spreekt. De gnostieken spreken echter niet over de ervaringen van de uiterlijke mens in de uiterlijke wereld, maar over de innerlijke ervaringen van de innerlijke, geestelijke mens in de geestelijke wereld.
Gnostieke <processen> zijn geen uitvindingen van het verstand. Het zijn ervaringen van de geestelijke mens, die in de uiterlijke, natuurlijke mens veelal nog krachteloos is en als het ware slaapt. Ontwaakt hij echter, dan wordt hij zich van zichzelf bewust. Hij gaat bewust ervaren, dat hij geest uit Geest is, een gedachte uit het denken van de Vader. En hij wordt zich bewust van zijn eigen structuur en krachten, die gelijk zijn aan de structuur en krachten van de Geest die de wereld doordringt. Van deze waarheid wordt hij zich bewust.
Hij herkent nu dat er twee werelden zijn: een uiterlijke en een innerlijke. In de uiterlijke leeft de uiterlijke mens van de natuur met zijn weten, godsdienst en zijn handelen. In de innerlijke, de wereld van de Geest, leeft de innerlijke, geestelijke mens.
De uiterlijke mens is met al zijn scheppingen vergankelijk;
de geestelijke mens is onvergankelijk.
Fragment uit de Crystal serie dl 5:
Gnosis als innerlijke religie