december 2009

De vloek van het goud

Dolle ritten en jachten
brengen het menselijk hart in verdwaling.
Moeilijk te verkrijgen goederen
brengen de mens tot verderfelijke daden.

Daarom maakt de wijze werk
van zijn innerlijk
en niet van zijn ogen.

Hij verwerpt wat van buiten komt,
en verlangt naar wat binnen is.


In de Edda lezen we hoe Loki de schatbewaarder Andvari vangt, een dwerg die allerlei gestalten aan kan nemen.Loki vind hem in een waterval en ontdekt dat Andvari zich in een zalm veranderd heeft. Hij vangt deze zalm met een net en eist al zijn gouden schatten op. Met grote tegenzin haalt Andvari deze te voorschijn en geeft ze alle aan Loki, terwijl hij een gouden ring met wonderbaarlijke kracht aan zijn vinger houdt. Loki heeft dat echter in de gaten en schuift ook de ring, die als een magneet kostbaar goud aantrekt, van zijn vinger. Woedend spreekt Andvari dan de vloek uit dat de ring zijn bezitter altijd in het verderf zou storten en bovendien bij velen de dood zou brengen.

Wanneer we deze mythe tot ons laten doordringen, kunnen we tot de conclusie komen dat de Noorse mythologie eigenlijk niets anders is dan de geschiedenis van deze vloek. We kunnen zelfs zeggen dat die vloek overal tot in onze tijd nog doorwerkt!

Vandaar dat de wijze in de Tao Teh King zich niet met het uiterlijke goud verbindt, maar meer waarde hecht aan het eigen innerlijk. Hier ligt immers de schat die onvergankelijk is. Wanneer hij zich op het eigen hart richt en daarin volhardt, komen de woeste wielingen van zijn bestaan tot rust en wordt de keten van oorzaak en gevolg eindelijk verbroken.Hij kan dan ingaan in een totaal ander beleven.

De kredietcrisis kan ons wellicht storen of diep raken, maar vergeleken bij de innerlijke rijkdom is het in principe niets en gaat zij uiteindelijk weer voorbij.

Daarom, als het hart voortdurend niet-is
-dat is: vrij van alle aardse gerichtheden en begeerten-
kan men het mysterie aanschouwen
van Tao’s spirituele essence.