Iris - Hermann Hesse

De bloemkelk

In het diepste innerlijk van ieder mens ligt een onsterfelijk geheim verborgen, als een nog niet ontloken bloem, die in de tuin des harten tot bloei gebracht kan worden.

Hermann Hesse zegt: ‘Elk verschijnsel op aarde is een gelijkenis en elke gelijkenis een open poort, waardoor de ziel, mits zij daartoe bereid is, het innerlijk van de wereld kan betreden. Ieder mens vindt ooit in zijn leven die open poort op zijn pad, iedereen wordt ooit bevlogen door de gedachte dat al het zichtbare een gelijkenis is en dat daarachter de onzichtbare geest en het eeuwige leven schuilgaat’.

Hesse’s boek Iris verhaalt, hoe de mens Anselm gedurende zijn ervaringsweg door de wereld vanuit een diep verlangen op zoek gaat naar dit ooit gekende geheim van de wonderbloem.

Als kleine jongen is Anselm onophoudelijk bezig in zijn ‘groene gaarde’, met het enig belangrijke: zichzelf en de raadselachtige samenhang van zijn eigen ik en de wereld om hem heen. Zo heeft de magische uitstraling van een bloeiende zwaardlelie hem diep geraakt en gefascineerd door haar verschijning staart hij verlangend in haar bleekblauwe kelk, waar ‘dromen, gedachten en gezangen stil opstegen uit haar betoverende afgrond’. Intuitief weet de kleine jongen dat er meer is dan het zichtbare, want ‘een geheimzinnig droompad leidde naar het inwendig transparant, het geheim van de bloem. Dat geheim was hem zeer lief’. Anselm voelt zich innig verbonden met het onzichtbare innerlijk van de bloem. ‘De bloemkelk leek een open, onuitgesproken vraag, die de ziel in een opwellend vermoeden naar een gelukzalig antwoord drong’.

Hesse zegt: ‘De meeste mensen verlaten en vergeten de innerlijke wereld van het waarlijk belangrijke al heel vroeg en dwalen hun leven lang rond in de bonte doolhoven van zorgen, wensen en oogmerken, waarvan geen enkele in hun binnenste thuishoort of hen terugvoert naar hun diepste innerlijk en naar huis’. En zo stort ook Anselm zich als jongeling onstuimig in het uiterlijke leven. ‘Verwaaid en vergeten was de wereld der gelijkenissen, nieuwe verlangens en wegen lokten hem erbij vandaan’. Zijn aandacht richt zich op plezier, studeren en reizen. Hij draagt briefjes van leuke meisjes op zijn hart en de binding met de magische bloem vervaagt. Het geheim in zijn hart raakt op de achtergrond. Hij is nu een bekend geleerde, zoals hij altijd al graag wilde, in keurig kostuum met dito hoed. Toch doet hij alles precies eender als alle andere mensen van de wereld, volkomen ingekapseld in het labyrint der wereld. Maar......’opeens bekroop hem het gevoel dat er vele jaren vergleden waren. Alleen en onbevredigd stond hij midden in de wereld, waarnaar hij steeds had gehaakt’.

Anselm tracht de innerlijke leegte in zijn leven te vervullen door zijn geliefde Iris ten huwelijk te vragen. Zij gaat deze aardse binding echter niet aan omdat zij leeft ‘vanuit een innerlijke wet’ en zegt tegen hem: ‘Wij zijn op aarde om te luisteren naar verloren klanken omdat daarachter ons ware vaderland ligt. Je eigen innerlijke muziek moet daarmee zuiver in harmonie zijn. Ik denk dat je in je ziel iets belangrijks en heiligs hebt verloren en bent vergeten, dat het tot leven gewekt moet worden. Ga heen en zoek in je herinnering. Je zult volkomen moeten veranderen’.

Anselm valt nu ten prooi aan een innerlijke verscheurdheid. ‘Hij voelde in zijn borst een schrijnen, als wees daar een verborgen kompas hem onverbiddelijk de weg naar zijn verre bestemming. Maar die bestemming was heel anders dan hij zelf aan zijn leven wilde geven. En dat deed pijn. Nog nooit in zijn leven had hij een opdracht gehad die zo belangrijk was en tevens zo ontmoedigend als deze. Hij moest een enkele gouden draad zien terug te vinden in het spinnenweb der verzonken jaren. Met toenemend verdriet zag hij hoe vervlogen en leeg zijn leven achter hem lag. Het was hem vreemd, het hield geen verband meer met hem. Hij veranderde ingrijpend en vervreemde van zijn kennissen. Langzaamaan ontdekte hij een nieuwe zin, ook al wist hij dat zelf niet. In zijn geheugen vond hij veel wat hem ontroerde en hem angst aanjoeg. Soms had hij de indruk dat die herinneringen wel eens over het huidige leven heen konden terugreiken tot in het verleden van een vorig bestaan. Maar dat ene – dat vond hij niet’.

Anselm keert terug naar Iris, ‘zijn allerliefste geheim’ en zegt: “Ik weet niet wat er van mij worden moet.” Hij hoopt dat zij zich nu aan hem gewonnen zal geven. Iris, die stervende is, zegt: “Je hebt eer, geluk, kennis en mij gezocht in je leven. Maar dat waren enkel aanlokkelijke beelden. Ze hebben je verlaten, zoals ik je nu ook verlaten moet. Ik heb geen beelden meer. Ik zoek niets meer, nog een enkele stap en dan ben ik thuis.” ‘Toen viel de deur dicht en streek de wind van de wereld koel over zijn eenzaamheid’.

Als een vreemde zwierf hij nu door de wereld en staarde in bloemkelken en meren. Beelden, zei hij tegen zichzelf, louter beelden. Hij wist dat in het hart van de bloem zich het geheim bevond: de essentie die geen beeld meer is. Die essentie in hem sprak bij tijd en wijle met een stem die hem troost en hoop gaf.

Toen kwam hij bij een met mos begroeide rotswand en zag de spleet in het midden. Het was de geestenpoort, waardoor er nog nooit een is teruggekeerd. Hij schreed aan de wachter voorbij, de gouden schemering tegemoet. En opeens was alle weten weer zijn deel. Stemmen van liefde klonken. Hij daalde af in het geheim dat achter de beelden ligt......”

Hesse: “Slechts een enkeling gaat door de poort en geeft de schone schijn op voor de vaag vermoede werkelijkheid van het innerlijk.”