In de jongste dichtbundel van Toon Tellegen ‘Stof dat als een meisje’
wordt de strijd weergegeven die de moderne mens met de bovennatuur heeft.
Het gedicht ‘Een man vond een engel’ is daar een duidelijk voorbeeld van:
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed zei de engel.
De man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
En de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
En de man viel en viel
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Op pijnlijke wijze wordt de moderne mens hier met zichzelf geconfronteerd. De
natuurwetenschap waarmee de moderne mens is opgegroeid probeert de
bovennatuur weg te verklaren totdat er geen spoor meer van over is, terwijl de
moderne mens het laatste stukje godsbesef dat nog in hem over is opruimt.
Hierdoor wordt het goddelijke in de mens gedood.
Een engel is een eeuwigheidwezen en blijft daarom zoals in het gedicht
glimlachen, maar is ook ontroerd door de onwetendheid van de man. De man, de
moderne mens, meent door het doden van het godsbesef een veel belovende
toekomst tegemoet te gaan, terwijl hij in een afgrond valt en zich steeds verder
van het goddelijke verwijdert.