Stilte

Wie in de gelegenheid is om een boswandeling te maken kan zijn wandeling op een bijzondere manier verrijken met het volgende gedicht van Goethe:

Ueber allen Gipfeln
ist Ruh,
In allen Wipfeln
spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
ruhest du auch?

Boven de bergtoppen heerst
de stilte
Boven de bomen geen zucht
van de wind.
De vogels zijn stil in het bos.
Wacht maar, spoedig
rust ook gij?

In Nederland moet je veel moeite doen om een stille plek te vinden. En wanneer deze eindelijk gevonden is blijkt het luidruchtig in onszelf te zijn. Goethe had de stilte in zichzelf gevonden en herkende de stilte in de natuur. Op eenvoudige en bijzondere wijze heeft hij dit in enkele versregels weten vast te leggen.

De vorm, het ritme en de inhoud van het gedicht vormen een eenheid, die de eeuwige ziel in
ons kan raken. De laatste zin met het vraagteken roept ook voor ons een vraag op. Heeft “spoedig rust ook gij?” betrekking op de kortstondigheid van het leven of op de rust die ook wij in de eeuwige ziel kunnen beleven? Het eerste is altijd waar, het tweede moeten we in onszelf onderzoeken.