De jaarwisseling, klokslag twaalf uur. Overal op aarde zijn miljarden ogen verwachtingsvol gericht op het schitterende schouwspel dat komen gaat: vuurwerk! Als een overweldigende golf spoelt dit bonte spektakel gedurende enkele uren over de verschillende werelddelen in een vurig verlangen van de mens het oude achter zich te verbranden en het nieuwe te scheppen. Door loutering is een nieuw begin mogelijk. Vuur zuivert, maakt ‘brandschoon’ en schenkt vruchtbaarheid. Het schept leven, licht, energie, en geeft warmte en bescherming. Vuur belevendigt de mens; zij werkt in zijn gehele stelsel en jaagt hem op. De mens stookt dit vuur vanuit zijn persoonlijke verlangens op en wendt haar kracht op eigen wijze aan. Is vuurwerk afsteken wellicht het vorm geven aan een diep in ons wezen gewortelde hunkering naar licht, vanuit een ooit gekende levenswerkelijkheid van geluk, vrede en harmonie? En is er vanuit deze optiek gezien geen mooier begin van het nieuwe jaar denkbaar dan het ontsteken van vuurwerk?
Eenmaal door mensenhanden ontstoken trotseert de vuurkracht pijlsnel de duisternis en zoekt begerig in een wilde drang tot expressie haar weg omhoog naar de hemel. Daar lijkt zij voor de zintuiglijke waarnemer een seconde stil te staan in ruimte en tijd, alsof zij zich haar taak van schitterende straling poogt te herinneren. Dan explodeert zij onder het uitstoten van knetterende juichkreten en manifesteert zich in een kleurrijke, veelvormige regen van krachtig oplichtende vuurvonken, die na een kortstondig moment van geluk sierlijk maar stervend omlaag duiken naar de stoffelijke wereld en langzaam hun lichtkracht verliezend verzinken in een schijnbaar niets. Dit vuur is het sterfelijke vuur der materie, dat opgaat, schittert en vergaat.
Vuurwerk in de oudejaarsnacht; lichtpuntjes in de duisternis, even een impressie van hoop op het netvlies van de toeschouwer achterlatend als een tintelende, maar vluchtige gelukzaligheid. Zodra de lichtvonken verdwenen zijn en de sluier van rook is opgetrokken wordt de staat van zijn van de mensheid weer zichtbaar als een weerbericht van veranderlijkheid: ‘Hier en daar een opklaring van schijnbaar geluk, voornamelijk veel neerslag in de vorm van tranen en leed, afgewisseld door stormen van agressie en mistflarden van bestaansonzekerheid. De zon ziet vandaag geen kans om met haar hartverwarmende stralen door het wolkendek van gedachtespinsels heen te breken. De nog altijd dalende temperatuur van liefdeloosheid zorgt voor toenemende bevriezing en kristallisatie.’ En in deze ijzig koude natuurorde ligt het wezen van de oorspronkelijke goddelijke mens gevangen, verlangend naar en wachtend op bevrijding.
De vergankelijke mens slaat één maal per jaar het uiterlijke vuurwerk gade. Wanneer hij zijn blik naar binnen richt en in zichzelf kijkt, kan hij zich dagelijks bewust worden van een totaal ander ‘Vuurwerk’. Ooit was de oorspronkelijke, onsterfelijke Mens - de microkosmos - een Zoon van het Vuur. Dit Godskind was verbonden met het Vuur van de Geest. Dit geestvuur is niet uit onze sterfelijke natuur te verklaren, het is afkomstig van de Goddelijke natuurorde. De onsterfelijke Mens raakte echter verbroken van deze goddelijke realiteit. Om weer verbonden te kunnen worden met zijn oorspronkelijke levensveld en er weer naar terug te kunnen keren, kregen alle van God verbroken microkosmische stelsels een tijdelijke bewoner in zich, de sterfelijke mens.
Het is deze stoffelijke mens die een vlam van het Geestvuur als een latent aanwezig, onsterfelijk beginsel in het hart meedraagt. Dit slapende vuurprincipe, deze - voor stoffelijke ogen onzichtbare - Lichtvonk roept in ons om het ontsteken van haar wezen door het onvergankelijke Licht van de Geest. Daarom verlangt zij van ons een levenshouding die gericht is op dít Licht, de intermediair die ook wel Christuskracht genoemd wordt, zodat dit proces van het groeiende vuurwezen in ons mogelijk wordt.
Het ontdekken van dit onsterfelijke Lichtpunt in de duisternis van ons ‘zelf’ brengt ons de tintelende aanraking van werkelijk, onvervalst geluk. Deze wisseling van ‘oud en nieuw’ loutert ons en schenkt waarachtig Leven. Het ontsteken van dit Vuurwerk is het doel van de leerlingen in de Geestesschool, omdat het de bevrijding van de in de doodsnatuur gevangen microkosmoi mogelijk maakt.
‘Na duister komt de zonneschijn,
een licht dat niet zal wijken.
’t Zal eeuwig in de harten zijn,
zijn kracht zal niet bezwijken.’