De Katharen hadden een zuiver gnostieke visie op het menselijke bestaan.
Zij stelden: er zijn twee werelden of levensvelden die totaal verschillend van aard zijn:
Er is een oorspronkelijk koninkrijk met als levensessentie liefde en goedheid.
En er is een wereld, voorbijgaand van aard, ijdel en leeg.
Deze laatste wereld had voor de Katharen geen waarde.
In het Nieuwe Testament verklaart Jezus: «Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.»
De mens is uit de wereld van het gemengde, zoals de Katharen dat noemden.
Hij is ook opgebouwd uit twee werelden:
Enerzijds is zijn stoffelijk lichaam sterfelijk en gebonden aan deze wereld.
Anderzijds draagt de mens de onsterfelijke ziel vanuit het oorspronkelijk koninkrijk in zich, die a.h.w. gevangen zit in het lichaam van de materie.
De ongelijkheid van deze twee werelden veroorzaakt innerlijke spanningen, onrust en gespletenheid.
Vanuit dit onbevredigende gevoel, deze onprettige wetenschap, ontstaat een diep geworteld verlangen in de mens naar bevrijding, naar het scheppen van een ideale situatie van rust en vrede, harmonie en schoonheid, liefde en eenheid.
Hij ‘herinnert zich’ vaag deze werkelijkheid ooit gekend te hebben en gaat verwoede pogingen ondernemen om deze prachtige idealen te realiseren in zijn dagelijks bestaan. Als het leven nu eens zus of zo zou zijn, dan.....Onbewust creëert hij echter meer en meer gehechtheden en illusies.
Wát de mens ook onderneemt om duurzaamheid en consistentie te bereiken, zowel in zijn relaties tot anderen als op het gebied van werk, wonen, gezondheid, kennis, politieke en economische systemen, klimaatbeheersing.....telkens wordt hij ermee geconfronteerd dat alles uiteindelijk na een periode van bloei en schijnbaar geluk weer ineen stort. Alles herhaalt zich en herhaalt zich in een eindeloze cirkel.
Zijn wereld blijft een dualistische wereld, een wereld van tegenstellingen.
En na veel bittere ervaringen komt hij tot de slotsom, dat er niet zoiets als een status quo bestaat in deze wereld: alles verschijnt en alles verdwijnt weer; alles is vergankelijk, niets blijft.
Heeft het leven dan nog zin, als er toch niet écht iets te bereiken valt?
Steeds intenser kan de mens verlangen naar....ja, naar wat eigenlijk??
Hij hunkert ernaar het perspectief te kennen. En op dat moment verandert er iets in zijn bewustzijnsstaat.
Er is iets in hem dat zich aandient als een lang vergeten ‘nu’. Het raakt hem aan en het besef in de mens groeit dat er een andere bestemming is, een andere weg, een Ander in hemzelf. Het is de vreugde der herkenning van de oorsprong; de Bron van alle leven, die hij ontdekt ‘als een zwijgende, vage gestalte’ en waarnaar hij verlangt terug te keren om erin op te gaan.
Voor de Katharen was deze weg van terugkeer, de Weg der Sterren of de Weg naar de Heilige Graal, volkomen duidelijk: de oorspronkelijke ziel moest bevrijd worden uit zijn lichamelijke gevangenis; de onsterfelijke ziel kon dan terugkeren naar het koninkrijk van de geest.
De Katharen meenden, dat de ziel niet automatisch na de dood bevrijd zou worden.
De ware mens is volgens de Katharen door zijn lange verblijf in deze wereld zo verzwakt, dat hij niet meer op eigen kracht zijn bindingen aan dit levensveld kan loslaten. Daarvoor zijn helpende krachten uit het andere levensveld nodig, de krachten van de geest: inzicht en bewustzijn.
Met inzicht en bewustzijn (Gnosis), kan de mens zijn positie herkennen en besluiten terug te keren naar zijn oorsprong. De `Weg der Sterren' vraagt een nieuwe levenshouding die is afgestemd op het nieuw verkregen inzicht. Het is een levenshouding van Liefde, eenvoud, bescheidenheid, verdraagzaamheid en dienstbaarheid , die kenmerkend is voor de Katharen.