De Christus van binnen transformeren tot een helende factor
Er ging een grote roep uit van Paracelsus als genezer. Als hij bij een zieke binnenkwam, zo werd verteld, dan was het alsof er een frisse wind door het huis waaide. Zijn verschijning was zodanig dat de donkere wolken om het ziekbed verdwenen.
Paracelsus’ geneeskunst en wijsheid richtten zich op de essentie van de mensen en was minder gericht op de leerstelligheden uit de gangbare medische theorieboeken. Hij onderscheidde vijf vormen van ziek zijn:
• in het lichaam van de stof. Hierbij dacht hij bijvoorbeeld aan beenbreuken, spierblessures, kortom aan alles wat de mens kon overkomen door de sociale omstandigheden;
• in het levenslichaam – aandoeningen van de levensfuncties (spijsvertering, bloed, de hormonen en het afweersysteem);
• in het astrale wezen, aandoeningen van de luchtwegen, de zintuigen en het hart;
• aandoeningen in de mentale sfeer, de wil en de gedachten betreffende;
• en ten vijfde kan de mens ziek zijn aan de essentie, de kern van de mens, als die zich niet kan uitdrukken.
Voor dat laatste kan geen enkele dokter genezing brengen. Het verlangen om beter te worden en het universele geneesmiddel moeten in dat geval door de mens zelf ontwikkeld worden. In Paracelsus’ visie kon de mens dat alleen door gericht op de Christus – van - binnen te leven en die te transformeren tot een helende en vernieuwende factor bij al zijn activiteiten.
Paracelsus zelf sprak van de leer van de vijf entia. Het ens naturale veroorzaakt afwijkingen in de natuur, de constitutie en het wezen van de mens; het ens venemi, de invloed van verontreinigingen en giftige stoffen van buitenaf op de mens; het ens astrale de invloed van het gesternte dat zich onder andere uit in meteorologische verschijnselen en bijvoorbeeld de oorzaak is van de bekende verkoudheid. Het ens spirituale dat ziekelijke ideeën en daardoor psychische afwijkingen in de mens veroorzaakt. Ten slotte is er het ens deale, de invloed van het Opperwezen.
Paracelsus heeft zijn leven lang “de natuur willen lezen”. Daarmee bedoelde hij: “Een mens kan slechts arts zijn als hij de ziekte (en genezing) geleerd heeft aan de mensen die ze dragen. Want op de plek waar de ziekte naar buiten komt, ligt ook het geneesmiddel verborgen. De kunst is dit te vinden en het te ontdoen van zijn giften, en het vervolgens gereinigd en krachtig toe te dienen.”
Toon het eeuwige licht
Paracelsus toont in zijn teksten de mens die onbaatzuchtig en zonder afgunst zijn gave ontwikkelt. Dit in het volkomen geloof dat zijn gaven hem door God gegeven zijn ter meerdere eer van God. Daarom moet de mens vrij zijn in hart en wil, en zich niet laten overhalen “dingen te doen die met de levensopgave van dienstbaarheid aan God en schepping in strijd zijn. Zo een leeft dan niet zijn eigen Wil.”
De mens moet zo ook handelen met het eeuwige licht waarmee de eeuwige ziel is verbonden. Als hij spreekt over ‘s mensen “eigen heer, en wil en hart”, dan slaat dat op de drie kerneigenschappen van de eeuwige ziel, namelijk het vermogen tot verstand, tot wijsheid en tot vrije wil. Paracelsus: “Mocht ik en ieder ander niet zo veel kunnen dat wij het eeuwige licht in ons zouden kunnen bewaren en het natuurlijke in ons ook tonen, en zo in het eeuwige licht in de wil van God tot het hoogste wandelen opdat ons licht voor alle mensen schijne, dan zou het mij leed doen dat de aardbodem mij dragen moest.”
De mens heeft volgens Paracelsus dus de opdracht niet alleen zijn gaven uit het natuurlijke licht aan te wenden ten dienste van wereld en mensheid. Hij moet ook en vooral het in hem aanwezige eeuwige licht tonen aan de mensheid, waardoor zij het eeuwige licht kan ontdekken.
![]() |
Deze versie van de symposionreeks is niet meer verkrijgbaar. Voor andere versies van de uitgave van de symposionreeks zie Rozekruispers. |