Robert Fludd vervolg

Een voortdurende christelijk hermetische traditie

Tussen 1598 en 1604 studeert Fludd geneeskunde in Londen. Daarna reist hij zes jaar door Europa. Hij komt hij in aanraking met de werken van Paracelsus en bestudeert de arcane wetenschappen. De opgedane ervaringen inspireren hem om deze wetenschappen die volgens hem uit één bron van universele wijsheid voorkomen, te beschrijven en in een sluitend systeem te plaatsen. Hij werkt twintig jaar aan het boek waarin hij zijn kennis neerlegt: “De geschiedenis van de beide werelden”. Het is een metafysische geschiedenis van de macrokosmos en de microkosmos, waarin hij ter ondersteuning van zijn betoog telkens Hermes Tresmegistos aanhaalt. Aan de orde komen onderwerpen als geometrie, muziek, astrologie, kosmologie, geheugenkunst, theosofie, kabbala en anatomie.

Ondertussen is hij een bloeiende praktijk begonnen in Londen als paracelsistische arts. Een vriend, Michael Maier, brengt hem in contact met de Rozekruisersmanifesten, waarin hij z’n eigen inzichten volledig herkent. Hij schrijft een opmerkelijke verdediging van de Manifesten: Apologia Compendaria Fraternitatem de Rosae Crucis. Fludd betoogt daarin dat de Rozenkruisersbeweging in een voortdurende christelijk, hermetische traditie staat, die in de opeenvolgende perioden steeds verschillende uitingsvormen heeft aangenomen.

Mijn lichaam is een gevangenis

Aan het eind van de Apologia plaatst Fludd een brief waarin hij nederig verzoekt om tot de broederschap te mogen toetreden. “Ik wens niets meer en liever dan slechts de minste van uw Orde te zijn, zodat ik uw roem op waardige en betrouwbare wijze kan verspreiden voor het nieuwsgierige menselijke oor. Ik ben van voorname adellijke geboorte. (..) Mijn lichaam is een gevangenis, en de vreugden van deze wereld zijn slechts ijdelheid en nadelig voor het gemoed. Ik heb een dorstend verlangen mijzelf een spiegel te zijn waarin ik kan zien wie ik ben.”

Fludd’s openlijke verdediging van de Rozenkruisers stuit op zware kritiek, vooral bij de al eerder genoemde, gezaghebbende monnik Mersenne. De zaak loopt zo hoog op dat hij zich bij de Engelse koning, James I, moet verantwoorden. Zijn verweer is zo sterk dat Fludd zich voor de rest van zijn leven verzekerd weet van het patronaat van deze koning. Hij neemt een tijdje afstand van de publieke discussie over de Rozekruisersbeweging en komt er in 1629 in zijn boek Summum Bonum op terug. Hij vindt het zijn “christenplicht” tegenstanders van de “vrienden der waarheid” van repliek te dienen.

Permanente bewoners van het huis der wijsheid

Hij stelt - op basis van de Heilige Schrift en van enige auteurs - dat er wel degelijk permanent “bewoners” zijn “van het huis der wijsheid” die de kennis van het heilige licht (“In Uw licht zullen wij het Licht aanschouwen”) bezitten: “De Heilige Schrift bevestigt niet alleen het bestaan van zulke mensen, die in zekere zin het huis der wijsheid bouwen en bewonen, maar ook hun ononderbroken voortduren tot aan het einde der wereld. Volgens de getuigenissen is er geen eeuw geweest waarin er niet enkelen leefden, die levend in de wereld en haar duisternis, de kennis van het heilige licht bezaten en daardoor het voorrecht genoten om tot de zonen Gods gerekend te worden.” In Summum Bonum onderzoekt hij verder de magie, de kabbala en de alchemie. Het “ware Rozenkruis” prijst hij daarin aan als het “hoogste goed”.

Robert Fludd is uiteindelijk niet alleen meer een bekwaam verklaarder van het Rozenkruis, hij is er ook een warm propagandist van geworden.

Wie meer wil lezen van en over Fludd kan via de Rozekruispers het boekje “Robert Fludd, verklaarder en verdediger van de Broederschap van het Rozenkruis” bestellen.
Het is de weerslag van een symposium dat in 2003 aan Fludd werd gewijd (Haarlem 2004, ISBN 90 6732 302 0).