Niet wat ik wil maar wat Gij wilt
Al het willen van de mens moet “ontworden”, dat is minder worden, opdat de Godsgrond, die de mens ingrijpend verandert, worden kan. “De dingen die zo’n mens vroeger zo bevielen, smaken hem dan niet meer. Hij vindt zijn vreugde in wat hem vroeger zo tegenstond, zoals smaad, verbanning, eenzaamheid, versterving, innerlijk leven, ootmoed en losmaking van alle schepselen. Dat is nu zijn hoogste verlangen.” Deze zuivere ootmoed is niet langer een natuurlijke deugd maar “een dochter” van de bovennatuurlijke liefde. Want, aldus Tauler, “De liefde is de moeder van de zuivere ootmoed en van het kleiner worden van de mens zelf in onderwerping aan het willen van God.” Pas dan kan er volgens hem in juiste zin sprake zijn van: niet wat ik wil, maar wat Gij wilt.
De Schrift leven
Tauler geeft aan de levenskunstenaar de voorkeur boven de “leesmeester”. Het heeft er bij hem alle schijn van dat het onmogelijk is om leesmeester en levenskunstenaar in één persoon te zijn. In de preek Beati Oculi (Zalig de ogen) stelt Tauler de grosse Pfaffen, de geleerde theologen en geestelijken, scherp tegenover de “Lebmeister”, zij die de praktijk van het spirituele pad voorleven. De leesmeesters zijn letterknechten, leggen de Bijbel letterlijk uit en bediscussiëren of de kennis dan wel de liefde in de relatie tot God hoger is. Maar de levenskunstenaars beoefenen het leven van de daad en verwezenlijken dat ene wat ertoe doet: “Zij erkennen hun eigen niets dat zij voorstellen, verlaten zich op God en verwachten alles van hem. Daarom is er zo’n groot verschil tussen de mensen die de Schrift leven en de mensen die haar alleen lezen. Die haar lezen willen vaak groot naar voren komen en geëerd zijn. Zij verachten hen die in de geest van de Bijbel leven,” aldus Tauler.
De kerk nam afstand van Taulers ideeën. De kerk die een brug zou moeten zijn, is in zijn tijd verworden tot een muur tussen God en de mens. Tauler en zijn beweging van de Godsvrienden slechten die muur als het ware. Ze weken de mens van hun tijd langzaam los van het instituut kerk en wijzen hem op zijn eigen zielegrond.
Zijn dominicaanse medebroeders distantiëren zich eveneens van Tauler maar onder externe druk hebben ze hem formeel nooit verstoten. Tauler blijft in naam dominicaan, maar in zijn laatste fase zondert hij zich af van zijn ordegenoten. Hij trekt zich terug in het tuinhuis van het klooster, waar alleen zijn zus hem in zijn laatste dagen nabij zou zijn.
Meer over Tauler? Peter Huijs: “Taulers Weg naar binnen, bloemlezing uit de preken van Johannes Tauler 1300 - 1361”, Rozekruispers Haarlem 2005