Musée de l'Homme
Laat ik eerst vertellen dat het volgende voorval in zekere zin goed is afgelopen, hoewel dat bij nadere beschouwing nog niet geheel zeker is. Ik ben er weer uitgekomen. Het heeft niet eens zo lang geduurd. Maar de vraag blijft: ben ik er wel uitgekomen, of zit ik er middenin? Tot over mijn oren.
Het ging als volgt: een uitstapje naar Parijs, vriendenbezoek. Toen plotseling, een uur voor sluitingstijd, nog even een museum in. Het Musée de l'Homme, het museum van de mens. En wat voor een mens. Wat hebben onze voorvaderen en - moederen allemaal uitgespookt in vroeger tijden. Het hele museum staat boordevol met voorwerpen, getuigen van de geschiedenis, van hun leven. Van volkeren van over de hele wereld. Hun voorraadpotten, kleding, gevlochten manden, sieraden. Maar het zijn juist de niet nuttige voorwerpen die me het meest interesseren. Die dingen die niet direct gemaakt zijn voor de strijd om het bestaan, maar met een ander doel. Daarvan weet men vaak veel minder, soms zelfs helemaal niets.
Neem bijvoorbeeld al die afdrukken van handen in de Franse prehistorische grotten. Waarom handen tussen al die rennende paarden en andere geschilderde dieren? Ze weten het niet. Duizenden jaren - en hier liggen wat brokstukjes, restanten van al die levens. Brokken van muren met reliëfs van stierenkoppen, leeuwen, rammen. Beeldjes, fresco's uit de vroegchristelijke tijd met abeeldingen van de vis, het Christussymbool.
En onze tijd, het aquariustijdperk? Wat zal daarvan over zijn over duizenden jaren? Wat zal men nog terugvinden? In een van de vitrines ligt een hoopje vreemd gevormde stenen. Ik lees het kaartje dat erbij ligt: tweelingidool, abstract vrouwenfiguurtje, betekenis onbekend. Er liggen veel speren, lansen, pijlpunten, dolken en bijlen. Die blijven vaak goed bewaard.
De typische museumlucht dringt in mijn neusgaten. Stof uit het verleden hangt hier, je ruikt het, je proeft het. Op naar een andere zaal. Prachtig geborduurde kleding uit Azië. Die vrouwen hebben heel wat uurtjes zitten borduren. Op het kaartje staat dat de mannen daarin ten strijde trokken. Zelfs de olifanten kregen geborduurde dekkleden. Eén sabelsteekje, en weg borduurwerk!
Intussen bevind ik me op de zolderverdieping en loop van vitrine naar vitrine, zaal in zaal uit, tot het langzaam tot me doordringt dat ik geen andere bezoekers meer tegenkom. Ik kijk om me heen, ook geen suppoosten meer trouwens. Een zenuwachtig gevoel bekruipt me. Het museum zal toch niet... Ze zullen me toch niet...
Ik kijk op mijn horloge. Kwart over zes. Al zeker drie kwartier na sluitingstijd. En morgen is het een nationale feestdag! Het museum dicht. Ik erin. Niet te geloven! Voor mij is het trouwens morgen ook een feestdag. Mijn verjaardag! Ontbijtje op bed kan ik wel vergeten...
Hoe kom ik hier weer uit? Merkwaardig genoeg zijn er geen alarmsignalen afgegaan. Hier kunnen dieven dus gemakkelijk hun slag slaan. Maar ja, als je er over nadenkt, wat in de musea staat is soms ook weer ergens geroofd, niet zelden zelfs door beroepsrovers met een officieel diploma.
Ergens inbreken is één ding, maar uitbreken valt ook niet mee. Alle deuren en ramen die op de buitenwereld uitkomen zitten stevig op slot. Terwijl ik op zoek ben naar een uitgang blijven mijn ogen toch steeds vluchtig langs de voorwerpen flitsen. Plotseling wordt mijn blik gevangen door een klein, glinsterend voorwerp en ik vergeet volledig dat ik op weg ben naar buiten. Op een witte marmeren sokkel ligt een stuk bergkristal, ongeveer zo groot als een vuist en helemaal geslepen in de vorm van een schedel.
Misschien uit een boek, of in een droom, ik weet het niet, maar het is dezelfde, dat is absoluut zeker. De oogholten, transparant glinsterend, in plaats van donkere gaten zoals bij gewone schedels. Alle vormen kloppen exact. Ik neem hem in mijn hand. Dat kan, tenslotte is er niemand om me op de vingers te tikken. Ik bekijk hem van alle kanten. Er is iets mee, iets raadselachtigs. 'Het geheim van de kristallen schedel', zeg ik hardop. Klinkt als een mooie titel voor een verhaal.
Wat staat er in de beschrijving? Ze moeten er iets bijgeschreven hebben. Op de sokkel staat alleen een nummer. De schedel staat in een zaal die helemaal is samengesteld uit voorwerpen die met sterven en dood te maken hebben. In de hoek zie ik een tafel staan met gestencilde toelichtingen. Nummer 90. Bijna zenuwachtig zoek ik het op. In een paar regels staat er: Ritueel voorwerp. Materiaal bergkristal. Hoogte 11 centimeter. Herkomst onbekend. In bruikleen uit privé-collectie. Datering: vermoedelijk tweede helft van het derde millennium voor Christus.
Voor Christus en na Christus. Zo wordt dat aangegeven. Alsof men weet dat de geboorte van Christus iets geheel nieuws aanduidt, een nieuw tijdperk, waarin alles anders is dan daarvoor. Een maat voor alles. Wat schrijven ze er nog meer over? "Dit attribuut zou passen in de traditie van schedelverering. De keuze van het materiaal is zeer uitzonderlijk. Nader wetenschappelijk onderzoek is nodig om te achterhalen welke techniek gebruikt is bij de vervaardiging van dit voorwerp. De ons totnogtoe bekende werkwijzen uit die tijd kunnen de aanwezigheid van de kristallen schedel niet verklaren." Punt. Meer staat er niet. Hij hoort bij de collectie, maar valt er toch ook weer buiten, een wetenschappelijk niet te verklaren fenomeen. Kristal heeft een grote hardheid. Waarmee hebben ze het geslepen en gepolijst? Met iets dat nog harder moet zijn. Eigelijk hebben ze het in die tijd helemaal niet kunnen maken. Of misschien wel als er een aantal mensen tientallen jaren achtereen aan doorwerkten. Als het zoveel werk was, moest men het wel erg belangrijk hebben gevonden om zo'n lichtende schedel te maken. Echte schedels waren er genoeg. Dood en leven. Duisternis en licht. Een lichtende schedel. De eeuwigheid in de tijd.
Onwillekeurig kijk ik op mijn horloge. Dat is vreemd. Het staat stil. Ha, toeval? De tijd staat nu ook voor mij stil. Maar, eeuwigheid is leven, geen voortdurende stilstand. Wat stond er ook alweer? Hoort eigenlijk niet thuis in deze periode. Eigenlijk hoort deze schedel ook niet echt bij deze collectie. Alle andere schedels die hier staan zijn of van gedode of gestorven mensen of ze zijn nagemaakt uit klei en zien er stoffig en gehavend uit. De rest bestaat uit een vreemde verzameling veertjes, oude lappen, totempalen en dat soort snuisterijen. De kristallen schedel maakt op mij helemaal geen griezelige indruk. Ik herinner me opeens die enge rammelende koppen van het biologielokaal, die akelig grijnzende verrotte tanden en die zwarte holten waar eens de ogen hebben gezeten. We lachten er altijd om en tegelijk voelden we dan even langs onze kaken en wenkbrauwen. Leven of dood. Het verschil bestaat, maar uit een heel dun laagje zo te voelen.
Bij de aanblik van de kristallen schedel is het anders. Het is alsof zowel dood als leven er tegelijk in aanwezig is. Door het doorzichtige, het lichtende, heeft hij toch ook te maken met het levende, het licht. Ik herinner me dat ik in een film eens de opnamen zag van een klein embryo, als een glasachtig, transparant wezentje, alleen is dat beweeglijk, levend, nog zonder harde structuur. Nog niet gekristalliseerd. In hetzelfde biologielokaal leerden ze ons dat het skelet het meest gekristalliseerde deel van ons lichaam is. De schedel die nu in mijn hand ligt is letterlijk van kristal. Gekristalliseerd denken. De schedel roept niet alleen associaties op aan zuiverheid en licht, maar ook aan de kans op verstarring en verharding. Kristallisatie van gedachten. Net als mijn eigen gedachten, in vaste patronen, soms ook verstard in denkbeelden die ik moeilijk kan prijsgeven. Hoe ziet dan het levende denken eruit? Het werkelijk verlichte denken? Een werkelijk helder denkvermogen, een zuiver spiegelend bewustzijn? Hebben de mensen hem daarom vroeger gemaakt? Als tastbaar symbool van leven en dood? Ook toen wist men van het Licht. Maar van Licht weten is nog niet hetzelfde als eruit leven. Dat weet ik uit eigen ervaring.
Zo langzamerhand ben ik moe geworden. Wat zou er tegen zijn als ik eens iets comfortabels uitzocht om even op te liggen? In een van die tijdperken is vast wel iets zachts en behaaglijks te vinden. De zaal van de Perzische beschaving, die ben ik onderweg ergens voorbij gelopen. Ik zou me daar in een tapijt willen rollen en dan onmiddellijk in slaap vallen, in een mooie oosterse droom. In mijn droom zou het tapijt dan doen wat het als echte Pers hoort te doen, namelijk vliegen. Boven mij zou een sterrenhemel verschijnen, helderder dan de Place de l'Étoile bij nacht en onder mij de woestijn, naakt en koud. Geluidloos zou ik door de lucht vliegen en alle sterren zouden veranderen in kristallen schedels. Het zou lichter en lichter worden, totdat...
Plotseling klinkt er een akelig jankend geluid en beginnen overal lampjes te knipperen. Terwijl ik half dromend mijn weg zoek in het steeds donkerder wordende museum, op zoek naar de zaal met zachte tapijten, heb ik waarschijnlijk het alarm in werking gezet. Een duidelijk teken, er is nu kennelijk geen tijd meer om te slapen en te dromen. Klaarwakker moet ik zijn. Wakker, helder en oplettend. Anders zou ik in het museum in slaap gevallen zijn, wie weet voor hoelang...
Jullie begrijpen, ik ben er dus weer uitgekomen. Maar vaak ruik ik in het alledaagse leven die stoffige museumlucht, voel ik die sfeer van de oude mens. En om mij heen lopen duizenden zich te vergapen aan de vitrines. Die hele bonte verzameling, die we gewend zijn beschaving te noemen. Of men zinkt weg in zachte tapijten en valt in slaap. Ik wil die muffe museumlucht niet meer. Ik verlang naar dat andere, dat onvergankelijke, dat hier niet thuis hoort. Die nieuwe mens, van wie Lao Tse zegt:
"Hij die goed gaat, laat geen sporen achter."