verhaal 6 - 9 jaar

Ridder Job en de draak

Weet je dat je nooit echt alleen bent? En dat je ook nooit alleen bent geweest? Ook niet toen je erg verdrietig was en je heel alleen voelde? Wist je dat, toen jij een heel klein baby'tje was en in je wiegje lag te spartelen en te kraaien, dat je toen al een echte vriend had, die altijd bij je is gebleven? Het is het rozenkind dat in je hart woont. En in het Licht kan groeien en open bloeien, om zo weer terug te kunnen gaan naar zijn huis, naar het Lichtland.

Job, in het verhaal dat je nu gaat lezen, is een jongen met bruine ogen, ongeveer net zo groot als jij en hij heeft altijd een pleister op zijn knie. Job weet ook van de roos in hem. Hij noemt haar kleine vriend. Kleine vriend is altijd waar Job is. En Job vertelt alles aan kleine vriend. Luister maar!

"Zie je dat, kleine vriend, hoe dapper die ridder is? En wat heeft hij een mooi zwaard hé!"
Job staat op het plein te kijken naar een poppenkast. Het is heel stil op het plein bij de poppenkast, want het is een hele spannende voorstelling. Alle kinderen staan met open monden te kijken naar de ridder, die langs een sissende draak een prachtige prinses probeert te redden.
"Wat een mooie poppen, hé kleine vriend," zucht Job.
De poppen springen door de kast heen en weer. En dan... ja hoor, de dappere ridder verslaat de draak! Daar ligt hij, als een slappe ballon op de grond. De kinderen op het plein zuchten allemaal van opluchting.
"Pfff, gelukkig, dat was op het nippertje! Wat dapper van die ridder, hé kleine vriend. Zou ik dat ook durven, denk je?"

Dan komen de ridder en de prinses weer in de poppenkast en ze buigen met hun houten hoofdjes naar voren. De kinderen klappen tot ze rode handen hebben. Wat was het een mooie voorstelling! De gordijntjes gaan dicht in de poppenkast en het lampje gaat uit. Alle kinderen gaan druk pratend naar huis. Alleen Job staat nog op het plein voor de poppenkast. Zou die draak wel echt dood zijn?, denkt hij. Voorzichtig schuifelt Job op de poppenkast af. Zou hij durven kijken? Hij houdt even zijn adem in en kijkt achter de kast. Daar liggen alle poppen als slappe puddingen op de grond. In de hoek ligt een echte prinses. Dat ziet hij zo aan die prachtige jurk en de kroon op haar glanzende haren. En die pop met die donkerblauwe cape met sterren is een tovenaar.
"Oei, wat kijk jij griezelig en geheimzinnig!" Aan een spijkertje hangt ook een klein kabouterpopje, die vast al heel veel heeft meegespeeld want zijn pak is oud en er zit een gaatje in zijn rode broek. Voorzichtig raakt Job de kabouter aan en dan ziet hij in zijn ooghoeken de draak liggen.

"Wat een zielig puddinkje ben jij eigenlijk," zegt Job. "Je bent helemaal niet groot!"
En als vanzelf schuift Job zijn hand door de glimmende groene stof van de draak heen en dan... is zijn rechterhand de draak. En wat kan die draak veel: dansen en springen, koppeltje duiken, huilen, lachen en smakken. Job moet hard lachen om die gekke draak. Weet je wat die draak nog meer kan? Hij trekt aan het gordijntje van de poppenkast en trekt zo het gordijntje open. En daar staat de draak in de poppenkast en hij begint meteen te springen en te sissen, want nu is het echt. Dan ziet Job de pop die ridder is. Snel doet Job zijn linkerhand in de pop. Hé, wat leuk, het paard is vastgenaaid aan de pop. Zo zit de ridder altijd op zijn paard. Dan begint het...

Alles om hem heen vergeet hij, de poppen, de poppenkast en zijn kleine vriend. Het is net of kleine vriend hem nog waarschuwt, maar Job hoort hem niet. Hij is veel te druk bezig. Nu gaat het gebeuren. Nu is alles pas echt; Job is de dappere ridder. Hij draaft op zijn paard door de bergen en de bossen. En als de weg met braamstruiken overgroeid is, dan haalt ridder Job zijn zwaard te voorschijn en slaat de struiken los, zodat zijn paard door kan draven. Verder, steeds verder draaft het paard met ridder Job op zijn rug. Heuvel op, heuvel af. De haren van ridder Job wapperen in de wind achter hem aan.

Wat een heerlijk gevoel die frisse boswind door je haren te voelen. Het paard vindt het ook lekker, hij briest en snuift. En als je goed kijkt zie je zijn ogen twinkelen. Ridder Job aait zijn paard eens over zijn manen. Boven in de bomen kwetteren de vogels hard door elkaar heen. Ridder Job wordt er helemaal vrolijk van en hij fluit een liedje mee. Maar wat hoort hij daar voor een zielig gepiep tussen al die vrolijke geluiden door? Heel zacht klinkt het gepiep. Dan ziet ridder Job een klein jong konijntje zitten onder een boom. Het konijntje houdt zijn kopje scheef omhoog en begint weer heel zielig te piepen.

"Wat is er met jou aan de hand?" vraagt ridder Job, terwijl hij zijn paard inhoudt.
"Ach ridder, ik ben mijn holletje kwijt. Ik was zo eigenwijs om veel te ver van huis weg te gaan. Het ging zo lekker, dat springen door de struiken heen. Steeds verder ging ik, steeds verder. En het bos rook zo lekker. Allemaal nieuwe luchtjes, die ik nog niet kende. Maar nu weet ik niet meer waar ik ben en hoe ik weer naar huis moet," zucht het konijntje.
"Weet je nog hoe het er bij jouw huisje uitziet?" vraagt ridder Job.
"Wat ik wel weet is dat ik bij een hoge beukenboom woon, vlak bij een beekje," antwoordt het konijntje.
"Kom maar op mijn paard zitten dan breng ik je wel weer thuis," zegt ridder Job en hij buigt voorover zodat het konijntje op zijn paard kan springen. Als het konijntje tussen de manen van het paard zit, rijdt ridder Job naar de heuvel. Op de heuvel aangekomen ziet ridder Job vlakbij een hoge beukenboom staan.

"Daar moet het dan zijn, bij die boom," wijst ridder Job. Snel stuurt hij zijn paard in de richting van de boom.
"O ja, we zijn goed. Ik hoor het water van de beek al. En daar, daar zit mijn vader. Oei wat kijkt hij boos!" roept het konijntje uit. Maar als vader konijn zijn kleintje ziet op het paard, is zijn boze gezicht gauw verdwenen.
"Dank u wel heer ridder," zegt vader konijn, "blijft u nog wat bij ons eten, een worteltje misschien?"
"Nee daar heb ik geen tijd voor. Ik ben op weg naar mijn geluk. Dag konijn, tot ziens!" Het konijntje zwaait ridder Job uit tot hij hem niet meer kan zien.

Op weg is ridder Job weer. Op weg naar het land achter de bergen, daar in de verte. Daar zijn vast zielige prinsessen die hij kan bevrijden en dan neemt hij, ridder Job, ze wel eventjes mee op zijn paard en trouwt met ze. En dan zal hij nog lang en gelukkig leven.

Heb je het gemerkt? Job is van zijn kleine vriend alles vergeten. Hij praat niet meer met hem. Want nu is hij ridder Job. Maar wat hoort die snelle ridder nu? En wat is dat voor een rare, vieze lucht die hij ruikt? En wat ligt daar voor een puntige bal op de weg? Ha, ridder Job ziet het al. Het is een draak! Nou niets aan de hand hoor! Ridder Job is een vreselijk dappere ridder. Hij zal die draak wel eens even laten weten dat hij echt niet zomaar op de weg hoeft te gaan liggen waar ridder Job langs komt! Hij gaat nog eens wat rechter op zijn paard zitten. En zo met rechte rug stuurt hij zijn paard moedig op de draak af.

De draak loert met zijn kleine rode kraaloogjes naar ridder Job en sist en smakt. Maar plotseling staat de draak op en zwaait gevaarlijk met zijn staart heen en weer. Oei, wat is die draak nu groot! En wat voelt ridder Job zich nu ineens klein. Waar is nu die dappere ridder Job gebleven, die de draak zou overwinnen? De groene draak met de rode kraaloogjes loert nog steeds naar ridder Job, alsof hij zich afvraagt: "En, waar blijf je nou?"

De draak briest en slaat zijn staart op de grond. Ridder Job zit in elkaar gedoken te klappertanden op zijn paard. Wat voelt hij zich verschrikkelijk alleen...
Weg, denkt ridder Job, weg moet ik, zo snel mogelijk!
Maar daarvoor is het nu al te laat.
"Au!" roept ridder Job. Zie je, daar heb je het al.
"Au!" roept ridder Job nog eens. Maar dan ziet Job wat er is gebeurd. Zijn rechterhand waar de pop van de draak aanzit bijt in zijn linkerhand waar de ridderpop aan vastzit. Wat is dat een raar gezicht!

Dan ziet Job de poppenkast weer met de gordijntjes en de doeken waar bossen op geschilderd zijn. En Job begint heel hard te lachen.
"Wat ben ik toch bang geweest voor die 'gevaarlijke' draak, die ik zelf vasthield. Ik was niet alleen ridder Job maar ik was ook de draak..." En op dat moment ziet Job kleine vriend, die hij helemaal vergeten was. Kleine vriend die naar zijn rare spel heeft gekeken en net zo lang bij hem is gebleven tot hij uitgespeeld was.

"Wat dom van mij om jou, kleine vriend helemaal te vergeten. Ik was helemaal niet alleen toen ik bang was. Jij was steeds ook hier!"
Kleine vriend die al zo heel lang op hem heeft gewacht, wil eindelijk samen met hem op weg. Job stapt over de puddingpoppen de poppenkast uit en zegt tegen zijn kleine vriend:
"Ik kom."