Op zoek naar de Heilige Graal

Uit het Corpus Hermeticum:

 

“God heeft een groot Mengvat, gevuld met de Krachten des Geestes,

omlaag gezonden en een Boodschapper geschonken

met de opdracht aan de harten der mensen te verkondigen:

Dompelt u onder in dit Mengvat, gij zielen die dit kunt;

gij die gelooft en vertrouwt, dat gij zult opstijgen tot Hem

die dit Mengvat omlaag gezonden heeft;

gij die weet tot welk doel gij geschapen zijt”.

 

 

De reiniging in en door het levende water uit het Goddelijke Mengvat, de Graal, is een vermogen, dat beschikbaar is voor iedere mens.

 

Het wordt aan niemand onthouden.

Het kán aan niemand onthouden worden.

Maar het kan zich pas aan ons openbaren, wanneer we de beschikking hebben over een volwaardige reine ziel, door ervaring gelouterd.

 

 

Het zoeken van de Heilige Graal is zeer diep in de mens verankerd.

 

Dit verklaart de schier onafzienbare rij van legenden over de Heilige Graal, over en rond koning Arthur en de Tafelronde.

 

Deze legenden verhalen van dit zoeken, dikwijls in zeer symbolische vorm.

Parcival gaat op zoek naar de Heilige Graal, gedreven door een innerlijk verlangen.

Hij zoekt een geheim, de ontbrekende schakel, die zijn levensvragen beantwoorden kan.

Zijn omgeving – die op zoek is naar bezit, macht, tastbaar geluk – lacht hem uit en noemt hem een dwaas en schenkt hem als reiskleding een narrenpak.

 

Wat Parcival zoekt is immers niet te vinden in deze wereld, maar in zijn eigen wezen.

Al het reizen en trekken van de graalridder is te verstaan als een innerlijke reis, waarbij hij veel ervaring opdoet.

Hij leert, dat de mens deze wereld niet kan beheersen, niet kan overwinnen,

met zijn ik-wezen omdat dit één is met deze wereld.

Parcival faalt eerst hopeloos, want hij tracht naar de normen en waarden van déze natuur een ridder te zijn.

Hij vindt de Graalburcht met daarin een oude zieke koning, die niet meer tot actie in staat is, maar waarvan toch een bijzondere vibratie uitgaat.

Aan deze koning wordt de lafenis van de Graal geboden, die hem in staat stelt te blijven leven, ondanks de zwakke toestand van zijn lichaam.

 

Parcival kan de Graal nog niet zien, hoewel hij dichtbij is.

Daarom moet hij verder (blijven) zoeken.

 

De gevallen Godsvonk.

 

De oude koning is het symbool van de gevallen Godsvonk, die in ieder mens aanwezig is, maar alleen leven kan uit krachten vanuit de Godsnatuur.

 

Het Graallicht is Parcival zeer nabij, nader dan handen en voeten, maar hij ziet en kent het nog niet.

Hij zoekt de vervulling van zijn levensideaal nog in deze natuur, zoekt de hemel op aarde, zijn verlangen is daarop gericht.

Na vele omzwervingen en het doorleven van vele ervaringen verandert de aard van het verlangen in Parcival. Hij ziet in dat liefde, kennis en wijsheid in deze wereld betrekkelijk zijn en dat in werkelijkheid dit niet is wat hem al zo lang heeft aangezet tot zoeken naar het geheim van het Leven.

Hij gaat begrijpen dat het ware ridderschap gewijd is aan de Goddelijke Oorspronkelijke Natuur.

 

Parcival komt opnieuw voor de Graalburcht te staan, maar nu als een mens die de ware taak in zijn leven aanvaarden wil. Als hij dán de zieke koning ontmoet stelt hij hem vol dienstbaarheid de vraag:

“Wat kan ik voor U doen?”

 

Een werkelijke ridder van de Graal staat in een directe binding met het oorspronkelijke Licht.

Zijn wezen is ervan doorstraald: dat is zijn onoverwinnelijke zwaard

Met dit zwaard dient hij de mensheid.

 

De ridder in wording vindt de Graal dan ook pas, wanneer de éne vraag gesteld is:

“Wat kan ik voor U doen?”

Het gaat om een bewust, innerlijk doorleefd verlangen naar de verlossing, naar bevrijding, een verlangen naar de Góddelijke werkelijkheid.

 

Het stellen van de vraag doen we niet voor onszelf, om voor de

ik-persoonlijkheid meer roem, eer of rijkdom te ontvangen.

 

Het gaat hier om de vraag naar de bevrijding van de verloren Godsvonk, die als in doodslaap verzonken ligt.

Van die Godsvonk gaat bij voortduring een roep uit om weer tot leven te kunnen komen. Het is als antwoord op deze roep dat Parcival op reis gaat om de Graal te zoeken, al is hij zich daarvan aanvankelijk nog niet bewust.

 

Eerst dan – na díe vraag – opent zich de Graal, het goddelijke Mengvat, de Krater

en stroomt voldoende om allen te laven en te genezen naar hun diepste wezen.

Allen, niet alleen de eigen microkosmos, want alle microkosmoi zijn verbonden met elkaar.

 

Wie waarachtig zoekt moet de sleutel ín het eigen hart zoeken.

Wie Graalridder wil worden, moet vanuit het hart de Graal in zichzelf oprichten

om het Goddelijke Licht van verlossing te kunnen ontvangen.

Dat oprichten komt tot stand door een vibratie verhogende levenshouding: reinheid in hart, hoofd en handelen.

 

Zo ontstaat in hem, in haar, de ware toewijding aan het ene Goddelijke Plan.

En komt de mens tot de ware daad, het gaan bewandelen van het Universele Pad van ware menswording.

Daarom: “Dompelt u onder in dit Mengvat, gij zielen die dit kunt;

Gij die gelooft en vertrouwt, dat gij zult opstijgen tot Hem die dit Mengvat omlaag gezonden heeft;

Gij die weet tot welk doel gij geschapen zijt”

 

Om die weg te gaan, zijn de universele Kennis, de ware Religie en de Koninklijke Kunst van vernieuwing de mens steeds geschonken.

In de Graal zijn zij vermengd tot een stuwend, helpend, verlossend Licht.

Dit Goddelijke Licht kan de reiniging, de verlossing ín de mens voltrekken.

 

Uitgangspunt is het diepe verlangen om deze verlossingsweg te vinden,

Of, zoals Wolfram von Eschenbach schreef:

 

“Wie de Graal eens wil ontvangen,

bedenk, er geldt daartoe één wet:

een innig, heilig, diep verlangen.”

Voeg reactie toe